Eigendom

Tussen eigenwijs en eigendom

Inleiding
De woorden eigenwijs en eigendom zullen door vele mensen zijn gebruikt, zonder een verband tussen deze twee woorden waar te nemen. Toch bestaat er een zeker verband, wanneer we “eigen” wijsheid zien als een positief gevolg van aktiviteiten in het culturele leven en eigendom als een positief gevolg van aktiviteiten in het economisch leven.

Deze levensgebieden hebben een bepaalde verhouding tot elkaar, die in een tekening als volgt is te karakteriseren:

Door deze weergave wordt duidelijk, dat de verbindende schakel tussen deze twee begrippen in het rechtsleven kan worden gevonden, en wel door het eigendoms-recht.

Wanneer mensen gaan werken aan het realiseren van doelstellingen, hebben zij wel een zekere eigenwijsheid nodig om alle problemen, die zij op hun weg vinden, de baas te kunnen worden.
Zo kan een eigenschap, die bij kinderen nog wel eens als negatief wordt aangemerkt, positief uitwerken, wanneer volwassenen, nadat ze hun inzichten met behulp van ervaringen getoetst hebben, deze eigenschap bezitten. Mensen die aan doelstellingen werken, dienen ondernemend te zijn, maar hebben ook een duidelijke behoefte aan financiële en geestelijke vermogens. Het eigendomsrecht schept in het algemeen de mogelijkheid voor mensen, om zelfstandig met hun vermogens aan het werk te gaan.
Vandaar dat het eigendomsrecht als een belangrijke verworvenheid al eeuwen wordt verdedigd, ondanks talloze negatieve bijverschijnselen, die dit recht met zich meebrengt.

Het blijkt dat het eigendomsrecht, dat wij normaal gesproken hanteren, reeds tot stand gekomen is in de Romeinse tijd. Het is een recht, dat de afgelopen 20 eeuwen nauwelijks is veranderd.
We kunnen ons afvragen of dat terecht is en of dat recht nog wel aansluit bij het rechtsgevoel van de mens in de 20e eeuw. Oppervlakkig gezien is er nog niet zo veel weerstand tegen. Wanneer we echter iets beter kijken, kunnen we waarnemen dat het alomvattende eigendomsrecht, zoals het oorspronkelijk vorm is gegeven, steeds minder voorkomt.
Wetten stellen paal en perk aan de uitoefening van eigendomsrechten van mensen op allerlei gebieden.

Bijvoorbeeld:
• Wanneer iemand een huis koopt, mag hij nog niet zomaar in dat huis gaan wonen. Hij heeft een woonvergunning nodig, die onder bepaalde voorwaarden door een gemeente wordt afgegeven.
• Wanneer iemand in het bezit is van een auto, mag hij daar niet zomaar in gaan rijden. Zonder verzekering en rijbewijs, is dat verboden en strafbaar.
• Wanneer iemand een boom wil omzagen in zijn eigen tuin, loopt hij een kans om bekeurd te worden of hij kan verplicht worden om een nieuwe boom te planten.
• Het is mogelijk zowel het economisch eigendom als het juridisch eigendom van een huis, of beiden aan iemand over te dragen, zodat het mogelijk is dat twee personen eigenaar zijn van hetzelfde huis.

Al deze zaken laten zien, dat een voor ons gevoel nog steeds omvattend eigendomsrecht veelal in de werkelijkheid niet meer zo bestaat. Het Romeinse recht begint steeds verder af te brokkelen.

Wat voor gedachten hebben wij nu nodig om voor dit afbrokkelende recht nieuwe vormen te kunnen vinden, zodat het voor mensen mogelijk blijft om hun ondernemerschap uit te oefenen? De problemen in het Oostblok hebben duidelijk laten zien, dat het zonder eigendomsrechten bijzonder problematisch is om maatschappelijk initiatief en ondernemerschap tot ontplooiing te brengen. Een te persoonlijk eigendomsrecht geeft problemen, zoals de credietcrisis heeft laten zien.

Eigendomsrecht
Het omvattende eigendomsrecht kunnen we verdelen in vier deel-rechten:

– Identiteits-recht
– Beheer-recht
– Toewijzings-recht
– Gebruiks-/verbruiks-recht

Hieronder wil ik deze deel-rechten nader toelichten, te beginnen bij het gebruiks-/verbruiks-recht.

Gebruiks/verbruiks-recht (economisch recht)
Wanneer iemand een dergelijk recht op een goed verkrijgt, heeft hij het recht om dit goed te verslijten of te consumeren. Eten mag worden opgegeten, een fiets mag worden bereden en in een huis mag worden gewoond. Zakelijk gezien mag een winkelpand worden gebruikt, een machine in gebruik worden genomen of delfstoffen worden omgevormd of verbruikt.

Dit recht wordt terecht aan iemand toegekend, wanneer zijn persoonlijke behoeften of vaardigheden in overeenstemming zijn met de verkregen rechten. Wanneer dit niet het geval is, voert dit tot bederf of zinloze vernietiging van waarden.
Wanneer bijvoorbeeld iemand te veel verbruiks-rechten heeft op voedsel, dan kan hij dit voedsel niet allemaal consumeren en zal het overschot bederven.
Wanneer iemand het gebruiks-recht van een auto verwerft, terwijl hij niet kan autorijden, zal hij de auto zo snel verbruiken, dat van vernietiging kan worden gesproken, waarbij gevaarlijke situaties niet uit zullen blijven.
Wanneer een ondernemer een aantal gebouwen en machines tot zijn beschikking krijgt, zonder dat hij de capaciteiten heeft om een onderneming te runnen, dan zal dit leiden tot grote verliezen en maatschappelijke onvrede.

Oftewel: Het gebruiks/verbruiks-recht hoort toegekend te worden aan de behoeftige en aan de vaardige mens, in overeenstemming met zijn behoeften en capaciteiten.

Toewijzings-recht (rechtsleven-recht)
Dit recht houdt in, dat degene die het verwerft aan mag geven, wie het gebruiks/verbruiks-recht uit mag oefenen over een bepaald goed of een bepaalde zaak.

Dit wil zeggen, dat voor een goede toewijzing, betrokkene een goed inzicht dient te hebben in behoeften en capaciteiten van andere mensen. Tevens dient zo iemand een zeker sociaal gevoel te hebben, omdat anders door vriendjespolitiek of bevoorrechting van enkelen een maatschappelijk ongewenste situatie kan ontstaan.
Het is mij gebleken, dat dit oordeel over behoeften en capaciteiten van andere mensen beter door enkele mensen gezamenlijk kan worden geveld dan door één persoon. Gezamenlijk kunnen mensen meestal socialer zijn dan alleen, en ontstaat meestal ook een milder oordeel over iemands capaciteiten of behoeften.

Oftewel: Het toewijzingsrecht betreft de beschikking over goederen en zaken en heeft louter betrekking op het aangeven wie het gebruiks/verbruiks-recht mag uitoefenen. Het vraagt om oordeelsvermogen inzake capaciteiten en behoeften, naast een zekere sociale grondhouding.

Beheer-recht (rechtsleven-recht)
Dit deelrecht betreft vragen rond de vormgeving en het onderhoud van goederen en zaken. Degene die dit recht verwerft, krijgt de bevoegdheid om te bepalen op welke wijze een bepaald financieel vermogen wordt ingezet. (Voor het geestelijke vermogen ligt dit recht mijns inziens altijd bij een persoon zelf.)

Wanneer bijvoorbeeld geld beschikbaar is voor het bouwen van een huis, duikt de vraag op, welke manier van besteding op dat moment de voorkeur verdient.
Bijvoorbeeld – Moet er verbouwd worden of verdient nieuwbouw de voorkeur?
– Moet er een woonhuis of een werkplaats gebouwd worden?
– Op welk moment moet een bepaald karwei worden gerealiseerd?
– Van welke materialen moet een gebouw worden gemaakt?
De beantwoording van dergelijke vragen is alleen mogelijk, wanneer de betrokkenen een zekere vakmanschap hebben op de gebieden, die aan de orde zijn.
De keuzes, die in een dergelijke situatie worden gemaakt, oefenen namelijk lange tijd hun invloed uit op de mensen die in zo’n gebouw moeten wonen of werken. Een gebrekkige constructie kan allerlei negatieve gevolgen veroorzaken.
Eenzelfde verhaal kan worden gehouden met betrekking tot keuzes, die moeten worden gemaakt Bijvoorbeeld bij de aanleg van wegen of het vormgeven van samenwerkingsverbanden van mensen.

Het beheer-recht heeft dus betrekking op vormgevingsvraagstukken en dient te rusten bij vakkundige, wijze mensen, die door studie en ervaring in staat zijn om gevolgen van hun beslissingen op lange termijn te overzien.

Identiteits-recht. (cultureel recht)
Dit recht is wat minder concreet dan de voorgaande drie deel-rechten. Het betreft een recht om een bepaalde naam te geven aan goederen, zaken of organisaties. Degene die een dergelijk recht verwerven, verkrijgen de bevoegdheid om de naam goed te keuren, die mensen aan bepaalde goederen, zaken of organisaties willen geven.

Het betreft bijvoorbeeld het toekennen van een kwaliteitsmerk, het accepteren van een lid in een vereniging, de toestemming om als bedrijf een bepaalde naam te voeren, maar ook het toekennen van een bepaalde nationaliteit aan een persoon of het afgeven van een diploma aan een student.

Dit recht blijkt tegenwoordig niet meer bij één persoon te kunnen rusten, vandaar, dat ik het bovenpersoonlijk noem. Vaak zien we dat aan een dergelijke toekenning een procedure vooraf gaat, waarin aan opgestelde criteria wordt getoetst. Wij vinden het normaal gesproken belangrijk, dat deze rechten in een zekere objectiviteit worden toegekend; Met andere woorden personen moeten proberen zich onpersoonlijk, objectief op te stellen.

Het identiteits-recht betreft een bovenpersoonlijk recht, waarbij het gaat om het toekennen van namen, die “staan” voor de goederen, zaken of organisaties, die het betreft.

Samenwerkingsvormen
Wanneer we de bovenbeschreven deel-rechten proberen te verbinden met drie maatschappelijk functionerende rechtsvormen, kan ons opvallen, dat deze rechtsvormen min of meer toegesneden blijken te zijn op deze deel-rechten. De naamgeving van zo’n rechtsvorm betreft dan het identiteits-recht.
Een rechtsvorm regelt de wijze waarop een groep mensen samenwerkt. Zij beschrijft de verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de betrokkenen, kortom zij beschrijft de posities van mensen met betrekking tot hun bevoegdheden en verantwoordelijkheden. Daarnaast wordt beschreven langs welke procedures men bepaalde posities kan bereiken. Door de verschillende
rechtsvormen volgens verschillende principes te ordenen, kunnen we een aantal elementen onderscheiden die voor een juiste keuze op een bepaald moment van belang kunnen zijn. Binnen de bestaande rechtsvormen worden deze principes niet altijd onderscheiden, hetgeen tot interne fricties kan leiden.

Het stichtings- of verticale principe
Wanneer mensen iets willen bevorderen en daartoe vermogen willen inzetten, kunnen zij dit vermogen onderbrengen in een stichting. De doelstelling van een stichting is altijd een geestelijk goed, een ideaal. Dit doel is van het grootste belang en wordt dan ook als eerste in de statuten genoemd.Wanneer dit geestelijk goed met het ‘aardse’ vermogen verbonden wordt ontstaat een verticale verbinding. Het bestuur van een stichting brengt deze verbinding tot stand. De mogelijkheid bestaat dat het bestuur zich door coˆptatie (het kiezen van nieuwe leden door de reeds zittende leden) aanvult, kunnen nieuwe bestuurders worden gekozen, die dezelfde inzichten hebben en achter de doelstelling staan. Een stichting is een rechtsvorm met autocratische kenmerken, omdat normaal gesproken de voorzitter een machtspositie binnen het bestuur heeft en het bestuur een machtspositie binnen de organisatie. Op deze wijze is het waarschijnlijk dat de stichting het vermogen gedurende lange tijd in de zin van de doelstelling zal aanwenden. Iets wat er nog niet is moet gerealiseerd worden. Mensen met geestelijk en financieel vermogen zetten zich aan deze taak. De verantwoordelijkheden en bevoegdheden blijven bij het bestuur. Mensen buiten het bestuur hebben geen bevoegdheden.

Het verenigings- of horizontale principe
Een vereniging ontstaat wanneer mensen door iets gemeenschappelijks verbonden worden. Een vereniging is dus een verzameling van mensen die iets gemeen hebben of betrokken zijn bij een initiatief. Men hoeft elkaar niet te kennen om zich bewust te zijn van dit gemeenschappelijke. Op deze wijze ontstaat bijvoorbeeld een vereniging van astma-patiënten, of een bewonersvereniging. De vereniging vormt als rechtsvorm een tegenpool van de stichting. Verschillende mensen, verspreid over de aardoppervlakte, worden zich bewust van elkaar, verbinden zich met elkaar. Er ontstaan diverse horizontale kringen die elkaar vaak overlappen.
Het stichtingsprincipe en het verenigingsprincipe vormen een polariteit, zoals blijkt uit de hieronder aangegeven kenmerken. Juist door de polariteit te beschrijven worden ze beter zichtbaar. In de werkelijkheid komen deze principes in hun zuivere vorm zelden voor, waarover later meer.
– Een stichting heeft zijn kern, zijn doelstelling, in het geestelijk gebied. Een vereniging heeft zijn kern, een eigenschap, op aarde.
– Een doelstelling wordt in de tijd gerealiseerd, waarmee de stichting zijn zin verliest en zal verdwijnen. De leden van een vereniging worden zich in de loop der tijd meer en meer van hun gemeenschappelijkheid bewust, waardoor de vereniging zich gaat vormen, hechter wordt.
– De stichting begint met vermogen en door besteding zal het vermogen verdwijnen. Naarmate de vereniging meer leden heeft, zal meer vermogen ontstaan uit bijdragen van de leden.
– Doelstelling en autocratie zijn sleutelwoorden voor de stichting; belangenbehartiging en democratie voor de vereniging.
– Een stichting heeft een bestuur en geen leden. Een vereniging heeft leden en aanvankelijk geen bestuur (het hoogste orgaan is de algemene ledenvergadering).
– Wanneer mensen in een stichting actief zijn, worden uiterlijke ontwikkelingen bevorderd (ontwikkelingen op aarde). Wanneer mensen in een vereniging actief zijn, worden innerlijke ontwikkelingen bevorderd (bewustzijn bij leden).
– Donateurs van een stichting hebben geen rechten en plichten. Zij zijn vrij om te schenken en een schenking verplicht tot niets. Leden van een vereniging zijn onderhevig aan “rechten en plichten”, o.a.” verplicht” tot het betalen van een bijdrage, gedurende de tijd dat ze lid zijn en hebben “recht “op informatie, “stemrecht ” e.d.

Het ondernemings- of bewegingsprincipe
Wat is een “onder-nemer” eigenlijk? Men zou kunnen zeggen dat een ondernemer door het bewerken van materiaal zin geeft aan dit materiaal. Hij maakt er een product van. Hij neemt iets van onderen en brengt het naar boven (geeft het zin). Het werken staat hiermee tussen geest en materie. Het beweegt de materie in de richting van de geest. Als bij het samenwerken van een groep mensen het accent ligt op werken, ondernemen, dan is het van groot belang dat de groep tot afspraken komt.
Mensen die samen-werken, doen namelijk in de regel allemaal iets anders, waardoor coördinatie van werkzaamheden noodzakelijk is. Daarnaast bestaat er een verantwoordelijkheid voor dat wat gemaakt wordt. Het is belangrijk dat duidelijk is wie deze verantwoordelijkheid draagt. Bij het maken van iets, een product, een dienst, is het belangrijk dat diegene die iets doet, de juiste vaardigheden bezit, zodat het goed gedaan wordt.
Er is een aantal rechtsvormen, waarvoor beschreven is wie verantwoordelijk en aansprakelijk is, hoe men tot afspraken komt, hoe winst en verlies worden gedeeld, enz. Zoals de Besloten Vennootschap (B.V.), Vennootschap Onder Firma (V.O.F.), Maatschap, Commanditaire Vennootschap (C.V.), Naamloze Vennootschap (N.V.) en Coöperatieve Vereniging. Afhankelijk van de capaciteit van de samenwerkende mensen, de aard van de werkzaamheden en de manier waarop de mensen willen samenwerken, is de ene of juist de andere vorm meer geschikt om dit samenwerken vorm te geven. Zo zullen mensen met gelijksoortige werkzaamheden vaak kiezen voor een maatschap of V.O.F. Mensen met verschillende capaciteiten zullen sneller de voorkeur geven aan een B.V. of N.V. Het komt er op aan dat de verantwoordelijkheden, bevoegdheden (mandaat) en ondernemings-inkomsten zodanig over de mensen worden verdeeld, dat ze overeenstemmen met hun capaciteiten. Deze verdeling moet zo zijn dat enerzijds de mensen hun capaciteiten vrij kunnen inzetten en dat anderzijds hun gezamenlijke inspanning leidt tot gewenste resultaten (producten, diensten).

Ontwikkeling in een samenwerkingsvorm
Ik heb hier boven getracht om de verschillende principes zodanig te beschrijven dat hun eigen aard naar voren komt. In de praktijk zien we nogal eens dat rechtsvormen wat aangepast worden,
omdat ze in hun zuivere vorm niet geheel voldoen aan de behoeften van degene, die ze gebruikt. Vaak onbewust krijgen elementen van het ene principe een accent in een situatie waar een ander principe de dienst zou moeten uitmaken.
Bijvoorbeeld: door middel van een Raad van Advies kan een democratisch verenigingsprincipe aangebracht worden binnen een stichting. Een stichting kan mensen in (loon-)dienst nemen en daarmee een element van het ondernemingsprincipe meer gewicht geven. Een ondernemingsraad brengt een verenigingselement binnen een onderneming.
Deze accentverschuivingen leiden vaak tot problemen, omdat de oorspronkelijke afspraken en het bewustzijn van de betrokkenen er te weinig ruimte voor laten.

Ik zou deze verschuivingen graag willen verklaren vanuit een ontwikkelingsbeeld. Uitgangspunt daarbij is dat een initiatief meestal begint met één initiatiefnemer en in de loop van zijn ontwikkeling vervolgens zou willen uitgroeien tot een driegeleed sociaal organisme, oftewel een
samenwerkende groep mensen, waarbinnen zowel het stichtingsprincipe, het verenigings-principe als het ondernemingsprincipe een plaats heeft. Afhankelijk van de ‘biografie’ van de initiatiefnemer heeft deze een bepaalde ingang naar het initiatief.
Bijvoorbeeld: De initiatiefnemer ziet een therapeuticum voor zich, waar men geneeskunde bedrijft vanuit de Anthroposofie. Als de initiatiefnemer noch therapeut noch patiënt is, maar wel het begin van zo’n therapeuticum ziet, omdat daarmee mensen hun ideeën praktisch kunnen vormgeven, zal hij geneigd zijn om het initiatief onder te brengen in een stichting. Wanneer
hij therapeut is en een goede werksituatie wil creëren, zal hij geneigd zijn het initiatief onder te brengen in een eenmanszaak of maatschap.

Wanneer hij patiënt is en vanuit zijn belang en betrokkenheid handelt, zal hij geneigd zijn om het initiatief in een vereniging onder te brengen. Deze keuze echter heeft gevolgen voor de mensen die de initiatiefnemer om zich heen verzamelt en voor de verhouding tot elkaar.
Als men met één rechtsvorm van start gaat (wat meestal het geval is) dan zal deze rechtsvorm alle drie de principes bevatten, maar afhankelijk van de gekozen vorm komt de nadruk op één ervan te liggen. Bij een stichting ligt dus het accent op het ‘bevorderen van’, maar krijgen ook het ondernemingsprincipe en het verenigingsprincipe een plaats. Dat heeft echter tot gevolg dat het stichtingsbestuur een gedeelte van zijn autonomie verliest en daardoor minder goed zijn doelstelling kan bevorderen.

De werkers worden in hun handelen belemmerd door o.a. het bestuur en de betrokkenen zien hun belangen onvoldoende behartigd. Deze ongunstige effecten zullen binnen enkele jaren tot conflicten leiden die zo hoog kunnen oplopen dat men de stichting wil gaan splitsen.
Dit moment is uiterst belangrijk in de ontwikkeling van een initiatief.
Besluit men namelijk twee stichtingen te vormen in plaats van één, dan dragen beide stichtingen dezelfde potentiële problemen in zich, die op termijn weer tot conflicten leiden enz.
Wanneer men echter, afhankelijk van de inhoud van de conflicten, de stichting splitst in een stichting en een vereniging, of in een stichting en een onderneming, of in ieder geval deze principes onderscheidt en onderbrengt in verschillende werkgroepen binnen het geheel, dan is
daarmee een begin gemaakt van een gezond driegeleed sociaal organisme, dat kan groeien en dat zich kan ontwikkelen. Na verloop van enkele jaren kan dan de derde rechtsvorm of werkvorm ontstaan.

Ervaringen op dit gebied leiden tot de voorzichtige conclusie dat de meest gezonde (maar niet noodzakelijke) ontwikkeling plaatsvindt als eerst de stichting, daarna de onderneming en slechts heel langzaam de vereniging ontstaat, of als uit de onderneming de stichting ontstaat en vervolgens langzaam de vereniging. Gemeenschapsvorming als zodanig heeft zijn wortels in een verenigingsstructuur, waarbinnen dan stichtingen en ondernemingen kunnen ontstaan.

Sociale driegeleding
Elk van de genoemde principes ondersteunt in een van de drie levensgebieden die men in het maatschappelijk leven kan onderscheiden: het culturele leven, het rechtsleven en het economisch leven.

Het stichtingsprincipe ondersteunt het culturele leven.
Een stichting werkt vanuit doelstellingen, benut het inzicht en de kennis van mensen en geeft vorm aan haar kapitaal. Het bestuur is vrij in het kiezen van de doelstellingen. en sluit daarbij aan bij de gewenste vrijheid in het culturele leven.

Het verenigingsprincipe ondersteunt het rechtsleven.
De leden verklaren zich akkoord met statuten en huishoudelijk reglementen en hebben rechten en plichten. Met betrekking tot deze rechten en plichten zijn allen gelijk. Er worden procedures en mandaten omschreven, zodat deze rechten en plichten gewijzigd kunnen worden wanneer de omstandigheden daarom vragen.

Het ondernemingsprincipe ten slotte, ondersteunt het economisch leven.
Productie, handel en consumptie zijn de activiteiten van het economisch leven. Wat de een produceert consumeert de ander. In het samenwerken zijn we van elkaar afhankelijk en is broederschap noodzakelijk om tot resultaten te kunnen komen. Geld en waarderingsprocessen maken deze afhankelijkheid zichtbaar en scheppen de mogelijkheden voor veranderingen.

In de huidige tijd is het belangrijk, dat elke mens een functie kan vervullen in elk van de drie genoemde levensgebieden. We moeten er dan ook voor zorgen, dat dit binnen ons maatschappelijk bestel mogelijk is.

Verdeling van eigendomsrechten
We zien in het voorgaande dat het ondernemen en het stichten in een polariteit worden gebracht, waarbij het middengedeelte door het verenigen wordt ingenomen. De combinatie van de kwalitatief verschillende activiteiten, die hierbij kunnen worden onderscheiden, met de verschillende eigendomsrechten geeft het volgende interessante perspectief te zien.

1. Het gebruiks-recht kan met name uitgeoefend worden door de ondernemer, zodat de vaardige mens kapitaalgoederen kan gebruiken voor het produceren van goederen en diensten. Het verbruiks-recht wordt door de consument uitgeoefend. De behoeftige consument is in staat om goederen te verbruiken. We kunnen spreken van economische rechten die door personen kunnen worden uitgeoefend.
2. De verenigingsvorm is geschikt voor het toewijzingsrecht. Op deze wijze komt de toewijzing onder een zekere sociale controle tot stand. De vereniging kent namelijk openbare procedures, waarin alle betrokkenen een inbreng hebben. Het betreft een sociaal recht, dat bij voorkeur door groepen mensen kan worden uitgeoefend.
3. De stichtingsvorm is bij uitstek geschikt voor het dragen van het beheer-recht. Daarmee
komt een vermogen in dienst van een doelstelling. Bestuursleden dienen dan geselecteerd te worden op hun ‘verstandige, wijze’ aanpak van zaken. Het betreft een persoonlijk recht, waarbij het belangrijk is dat het vermogen, waarover beschikt wordt, niet in het bezit van de beherende personen valt. Wanneer dat wel het geval zou zijn, zou het egoïsme van zo’n persoon te veel aangewakkerd kunnen worden.
4. Met behulp van de naamgeving kunnen verschillende rechtsvormen onder een identiteit worden samen gebracht, waarmee dit eigendomsrecht boven-persoonlijk wordt. Een gemeenschap met name kan identiteitsdrager zijn. Mensen en rechtspersonen kunnen zich onder de paraplu van deze identiteit stellen.

Eigendoms-rechten en aandelen
Wanneer we met deze kennis gewapend nagaan hoe deze rechten bij aandelen in ondernemingen zijn verdeeld, kan onderzocht worden welke rechten aandeelhouders uit kunnen oefenen op de onderneming, of op welke wijze men eigendoms-rechten op aandelen kan verwerven.

Naar de onderneming toe kan geconstateerd worden, dat de aandeelhouder vermogen inbrengt en participeert in besluiten over winstbestemming, directie voering en aandelentransacties.
Dit betekent in de eerste plaats participatie in het beheer-recht van de onderneming, gecombineerd met het toewijzingsrecht m.b.t. de direktie en het identiteits-recht, m.b.t. het (her)plaatsen van aandelen bij bepaalde eigenaars.

Door de uitoefening van deze rechten, zijn bepaalde vermogens vereist bij de aandeelhouders, willen zij deze rechten terecht kunnen uitoefenen.
Zoals: – Kunnen beoordelen of iemand een goede manager is.
– Inzicht hebben in de vermogenspositie van de onderneming.
– Kunnen beoordelen of deze vermogenspositie gezond is of niet.
– Zicht hebben op de manier waarop een verbetering of verslechtering in de vermogenspositie kan ontstaan.
– Zicht hebben op de mogelijke risico’s, die door de organisatie gelopen worden.
– Gevoel hebben voor de doelstellingen van de organisatie gecombineerd met een zekere bereidheid om daarvoor iets op te offeren.

Resumerend kunnen we zeggen, dat gezichtspunten en oordeelsvermogen noodzakelijk zijn, met betrekking tot zaken, die op de langere termijn invloed uit oefenen op de onderneming.
We kunnen spreken over mensen, die een zeker bewustzijn op deze gebieden hebben ontwikkeld.

Omdat een dergelijk bewustzijn niet bij ieder mens aanwezig is, is het terecht, dat het aandeelhouderschap niet zonder meer voor iedereen bereikbaar is. Wanneer echter alleen financiële drempels bestaan, dan beperkt de selectie zich tot financieel draagkrachtige mensen, hetgeen geen enkele garantie inhoudt inzake hun inzichten en oordeelsvermogen.

Langs deze redenering komen we bij de vraag, op welke wijze mensen eigendomsrechten verkrijgen op aandelen.
In wezen kunnen we bij het eigendomsrecht van aandelen de genoemde vier rechten weer onderscheiden.
• Wie mag zich eigenaar noemen en heeft daarmee stemrecht/dividendrecht?
• Wie beslist welke personen hoeveel aandelen mogen kopen?
• Wie beslist over het aantal aandelen, het in de organisatie ingebrachte vermogen en over de structuren waarbinnen zich een en ander afspeelt, zoals de vangnet-constructie?
• Wie beslist over fusie, overnamen of deelneming van mensen en instellingen buiten de organisatie?

Door het vraagstuk langs deze kwalitatief verschillende wegen uiteen te rafelen, ontstaat mijns inziens een optimale kans op het vinden van goede oplossingen.