De laatste levensfasen

Zingeving in de laatste levensfasen

Deze inhoud verscheen erder als brochure in de reeks GEZICHTSPUNTEN, nummer 40.
Deze brochure is te bestellen via www.gezichtspunten.nl

Inleiding
Wanneer een mens boven de 65 jarige leeftijd komt, begint het levenseinde in zicht te komen. Tot die tijd lijkt het nog ver weg. De laatste levensfasen kunnen vaak nog verrassend lang duren. Het werken is gestopt, de kinderen zijn het huis uit en het fysieke lichaam verliest zijn jeugdige uiterlijk en mogelijkheden. Voor de een wat sneller, voor de ander langzamer begint zich een gevoel van ouderdom op te dringen. Wat kunnen we nog, wanneer onze leeftijdsgenoten een voor een wegvallen en wanneer we zelf vergrijzen en immobieler worden. Gaat het er om dat we zo lang mogelijk jeugdig en actief blijven of kunnen we onze verhouding met de maatschappij zo omvormen, dat de ouderdom nieuwe kansen voor zingeving kan bieden.

In de ouderdom worden we in de eerste plaats geconfronteerd met de gevolgen van het leven dat we geleefd hebben. De gevolgen van onze eigen keuzes en daden laten hun sporen na. Ook datgene wat ons is aangedaan laat zijn gevolgen zien. Daardoor kunnen oudere mensen er heel verschillend bijzitten. De een is gezond en de ander juist ongezond. De een is rijk geworden en de ander juist arm. De een heeft veel vrienden , familie of bekenden om zich heen, terwijl de ander juist eenzaam en alleen geworden is. Het is natuurlijk ondoenlijk om in deze brochure op al die verschillen in te gaan. We gaan in deze brochure uit van een oudere mens die een normaal leven heeft geleid. De kwaliteiten die daarbij beschreven worden kunnen dan in meerdere of mindere mate van toepassing zijn bij mensen die geconfronteerd worden met meer extreme situaties.

In de ouderdom kan een sterke polariteit met de jeugd beleefd worden. Soms leidt dit begrijpelijkerwijze tot een soort heimwee naar de krachten van de jeugd. Wanneer deze heimwee overwonnen wordt, kan gekozen worden om te werken met de instrumenten van de ouderdom, te weten
−    Zelfbewustzijn en persoonlijke ontwikkeling
−    Bewustzijn van eigen weten en kunnen
−    Verworven maatschappelijke status en autoriteit
−    Geld dat in de vorm van vermogen ter beschikking kan staan.

Door het zelfbewustzijn en de persoonlijke ontwikkeling is de oudere mens niet meer zo makkelijk te verleiden door de waan van alledag. De oudere mens is in staat om zijn standpunten en gezichtspunten zonder al te veel eigenbelang te ontwikkelen. Daardoor is meer ruimte aanwezig voor wijsheid en begrip, voor wat nodig is voor de langere termijn van de maatschappij als geheel. Wanneer het eigenbelang niet is overwonnen, kan zich juist in de laatste levensfase de neiging versterken dat een mens zich in zichzelf keert. Dan keert men zich af van de maatschappij en vereenzaamt. Door een dergelijke houding wordt het moeilijk om de zingeving van de laatste levensfase in het oog te krijgen.

Door het bewustzijn van eigen weten en kunnen hebben illusies minder vat op de oudere mens. Daardoor kan een sterk realisme doorbreken. Dit realisme  kan enerzijds aanleiding zijn voor verdriet over kansen en vermogens die verloren zijn gegaan. Anderzijds kan het aanleiding zijn om de nog beschikbare kansen en vermogens krachtig, doelgericht en op het juiste moment te benutten, waardoor de effectiviteit van dit inzetten  van vermogens sterk kan toenemen. Langs deze weg kan ook een zwakte van het lichaam worden overwonnen, waarmee de oudere mens vaak geconfronteerd wordt.

De oudere mens is zich bewust van de maatschappelijke status die hij of zij gedurende het leven heeft bereikt. Men kan een autoriteit geworden zijn op een bepaald terrein. Men kan kundig geworden zijn op een bepaald vakgebied. Men kan goed op de hoogte zijn van procedures, regels enzovoort. Al deze zaken kunnen op oudere leeftijd ter beschikking staan van een versterkt oordeelsvermogen en dus scherp en doeltreffend worden ingezet om het goede te doen.

De ouder wordende mens heeft een schat aan levenservaringen opgedaan. Je zou kunnen verwachten dat jongere mensen daarin geïnteresseerd zijn en dat de ouder wordende mens daarom een gerespecteerde plaats in de samenleving zou krijgen. Toch blijkt dat veelal niet het geval te zijn. In de praktijk vallen de lichamelijke achteruitgang en de hulpbehoevendheid van ouder wordende mensen vaak meer in het oog dan de wijsheid en levenservaring die zij te bieden hebben. Daardoor is een praktijk ontstaan waarin de ouder wordende mens geneigd is om weinig aan maatschappelijke activiteiten deel te nemen, met vereenzaming en gevoelens van zinloosheid als gevolg. Dit is echter geen natuurwet. Door persoonlijke initiatief en persoonlijke inzet kan de ouder wordende mens wel degelijk nog lang na zijn pensionering zinvol en vruchtbaar deelnemen aan de maatschappij. We zien dan ook de laatste tijd steeds meer initiatieven die op deze nieuw ontdekte mogelijkheden ingaan. Deze brochure wil een aanzet geven in de gedachtevorming die daarbij belangrijk is.

Koopgeld-leengeld-schenkgeld, instrumenten voor de oudere mens
Geld is  het instrument voor maatschappelijk handelen. Door geld is het mogelijk om anderen in te zetten waar je het zelf niet of niet meer kunt. Om geld adequaat te kunnen gebruiken, moet het bewustzijn rond het geld wel verhoogd worden. Deels is dit door het leven zelf reeds veroorzaakt. Deels is ook scholing en ontwikkeling op het gebied van geld alsnog noodzakelijk, waarbij men zich bewust kan worden van drie geldkwaliteiten.
−    Koopgeld kan gebruikt worden om noodzakelijke prestaties in het heden te waarderen. Bij het boodschappen doen worden de prestaties betaald, die andere hebben verricht bij het produceren van producten en diensten. Vaklieden kunnen worden ingehuurd om datgene te doen wat nodig is voor jezelf of voor anderen. Door een reële prijs te betalen werk je mee aan een menselijke maatschappij.
−    Leengeld kan gebruikt worden om het ondernemerschap van mensen te stimuleren. Dat wil zeggen dat (reeds ontwikkelde) capaciteiten aangewend kunnen worden in het maatschappelijk leven. Met leengeld kunnen ondernemers investeren in werkplaats, voorraad en gereedschap, zodat hun ondernemerschap aangrijpingspunten heeft. Door afspraken over bedragen,  rente, aflossing en zekerheden wordt hun ondernemerschap realistisch en eventueel winstgevend gemaakt en wordt een ondernemer verbonden met een maatschappelijk draagvlak.
−    Schenkgeld kan gebruikt worden om ontwikkeling te stimuleren van mensen die een wil tot ontwikkeling tonen. Persoonlijke ontwikkeling is uiteindelijk de sleutel tot een gezonde, menselijke samenleving. Juist de oudere mens kan inzien dat persoonlijke ontwikkeling in het leven een uiterst belangrijke rol speelt. Schenkgeld is daarmee de belangrijkste geldsoort voor de ouder wordende mens. Daarmee komt de oudere mens polair te staan tegenover de jongere mens. Het kind heeft veel schenkgeld nodig om zich tot zijn volwassenheid te kunnen ontwikkelen en om volwaardig deel te kunnen nemen aan de maatschappij. De oudere mens, die zich ontwikkeld heeft, stelt zijn verworven vermogen beschikbaar, met behulp van zijn versterkt oordeelsvermogen, aan de mensen die nog aan het begin van hun aardse ontwikkelingsweg staan. Daarnaast is de oudere mens bij uitstek in staat om initiatiefnemers te ondersteunen, juist in het begin van hun initiatief. Zolang een initiatief nog jong is en daardoor het draagvlak mist, waarop een normaal economisch bestaan gefundeerd moet worden, is schenkgeld belangrijk voor de ontwikkeling van een initiatief.

Een leven na de dood
Omdat de leeftijdsopbouw van de bevolking in een snel tempo aan het veranderen is, wordt de groep ouderen steeds groter en ontstaat er maatschappelijk een toenemende behoefte aan informatie over het zinvol invullen van de laatste levensfasen. Tegelijk blijkt dat er nog veel vragen te stellen zijn over het begrip “zinvol”.  Natuurlijk is het zo dat de behoefte-piramide, die door de psycholoog Maslov onderzocht is, begint bij dagelijkse zaken zoals eten, drinken, slapen enz. , kortom verzorging. Deze piramide eindigt echter met zelfverwerkelijking. Het is misschien niet zo gek om te veronderstellen dat juist voor de ouder wordende mens deze zelfverwerkelijking steeds belangrijker wordt, terwijl het belang van de dagelijkse dingen steeds kleiner wordt. Het uitzicht voor de ouder wordende mens is immers het einde van het aardse bestaan binnen kortere of langere tijd. Wat ligt er meer voor de hand dan dat de ouder wordende mens zich wil voorbereiden op hetgeen dat komen gaat, op het leven na de dood, door te onderzoeken in hoeverre hij of zij zichzelf in het leven heeft kunnen verwerkelijken.

Dan zitten we in de huidige tijd echter met een probleem. Bij het denken over het leven na de dood zijn we verre van eensgezind. Grote groepen mensen geloven helemaal niet meer in een leven na de dood. Andere groepen klampen zich vast aan religies, waardoor ze ervan afgehouden worden om persoonlijk actief te worden bij het denken over het leven na de dood en het zichzelf daarop voorbereiden. De Antroposofische geesteswetenschap kan ons hier een stukje zelfbeschikking teruggeven. Binnen deze wetenschap bestaan heldere gedachten over het leven tussen geboorte en dood, maar ook over het leven tussen dood en geboorte. Deze gedachten kunnen heel behulpzaam zijn bij het bepalen van de eigen houding tegenover leven en dood, maar ook bij het invullen van de laatste levensfasen.

Het blijkt echter dat deze antroposofische gedachten nog niet zo eenvoudig te denken zijn. Wanneer we ons gedurende het leven niet inspannen om ons denken, voelen en willen te ontwikkelen, kunnen we aan het einde tot de ontdekking komen dat we persoonlijk niet of onvoldoende in staat zijn om onszelf met het antroposofische gedachtegoed te verbinden. Daardoor kan het gebeuren dat we de troostende en verhelderende werking ervan niet kunnen ervaren. Vooral in de laatste levensfasen zal dit een gemis kunnen blijken te zijn. Deze brochure kan een hulpmiddel zijn om een eigen verbinding mogelijk te maken met het geestelijke en met een passende voorbereiding op een leven na de dood.

De mens als geestelijk- en als aards wezen

Dan komen we meteen op een kernpunt terecht. Kunnen we in de mens op aarde een geestelijk wezen herkennen? Wanneer dat namelijk niet zo zou zijn, heeft het spreken over een geestelijke ontwikkeling weinig zin. Wanneer dat wel zo is, is het zinvol om ons in de achtergronden en de werkelijkheid van deze geestelijke kant van de mens te verdiepen. Dan is het ook logisch dat de mogelijkheid bestaat dat de geestelijke mens doorleeft, wanneer het fysieke lichaam is afgelegd. In deze brochure willen we hierover geen uitgebreide discussie gaan voeren. Vanuit de Antroposofische geesteswetenschap bestaat er geen twijfel over de geestelijke kant van de mens. Integendeel, het uitgangspunt van de aardse mens is juist de geestelijke mens. In feite moet de fysieke mens begrepen worden als een uitdrukking, een soort kunstwerk van een geesteswezen, dat zich “ik” noemt. Het is frappant dat dit fenomeen in de wetenschap tot discussie aanleiding kan geven, terwijl elke mens het direct in zichzelf kan ervaren. Wanneer immers iemand zichzelf afvraagt: “Wie ben ik?”, dan kun je de directe ervaring opdoen dat het ik een geestelijk wezen is. Ik ben dus een geestelijk wezen en ik heb een lichaam. In dat aardse lichaam drukt de geest zich uit en tegelijk maakt het de geest mogelijk om op aarde met bewustzijn aanwezig te zijn. Vanuit dit uitgangspunt is deze brochure geschreven.

Levensloop of biografie
Bij het onderzoeken en beschrijven van de levensloop van mensen valt direct op dat er grote gelijkenissen en grote verschillen bestaan tussen de gebeurtenissen die mensen meemaken en de manieren waarop ze daarmee omgaan. De gevolgen die er uit voortkomen kunnen grote verschillen laten zien, maar ook grote gelijkenissen. Dit brengt ons er toe om te onderzoeken in hoeverre er een soort algemeen menselijke biografie bestaat en in hoeverre zo’n algemeen menselijke biografie persoonlijk ingevuld kan worden. Vervolgens kunnen we onderzoeken in hoeverre we in zo’n persoonlijke invulling ook nog een uitdrukking kunnen zien van het ik of het geesteswezen dat in een bepaalde persoon op aarde is verschenen en met zijn dood weer uit het zicht verdwijnt.

Kind, volwassene, oudere
Wanneer we het leven op deze wijze in drie grote fasen verdelen, kan elk mens zich daarin herkennen. Blijkbaar omschrijven we de menselijke levensloop met deze begrippen op zo’n objectieve manier, dat elk mens, ongeacht sekse, geloof of ras zich in deze beschrijving kan herkennen.  Je kunt een dergelijke ontwikkeling “algemeen menselijk” noemen. Tegelijk ontbreken natuurlijk ook de finesses en komt de vraag omhoog waar precies de grenzen liggen en wat dat allemaal te betekenen heeft. Maar toch, het feit dat een geesteswezen zich op aarde kan manifesteren in een fysiek lichaam heeft tot gevolg dat het lichaam zich in een continu ontwikkelingsproces laat zien. Een ontwikkelingsweg die loopt langs de fasen: kind, volwassene, oudere. We kunnen deze reeks nog iets oprekken door het voor-geboortelijke en het na-sterfelijke er bij te betrekken.

Een geestelijk wezen wil zich op aarde manifesteren en richt zich op de aarde. Dan ontstaat een voorgeboortelijk ontwikkelingsproces. Dit proces mondt uit in de baarmoeder van een vrouw, waarin een kind zich voorgeboortelijk ontwikkelt. Op het moment van geboorte wordt een grens overschreden. Het geesteswezen betreedt het aardse toneel. Dan blijkt dat in die fase het geesteswezen zich nog niet volledig geestelijk op aarde kan manifesteren. Er is een periode nodig waarin het lichaam zich verder ontwikkelt en zich als het ware geschikt maakt om de geestkern van het ik-wezen te kunnen ontvangen. Dit proces beschrijft in grote lijn de kindertijd van een mens. Het individuele kind wordt zwanger van zijn geestkern, het ik. Rond het 21e jaar vindt dan de geboorte van deze geestkern werkelijk plaats, waarmee de individuele mens volwassen wordt. Dan blijkt dat die volwassenheid verschillende stadia kent. Rond het 21e jaar is het zelfbewustzijn van een volwassene nog beperkt, tenminste afgezet tegen het zelfbewustzijn dat een volwassene rond zijn 42e levensjaar kan bereiken. Je zou dus kunnen zeggen dat de combinatie lichaam en geest 21 levensjaren nodig heeft om vervult te raken van een volledig zelfbewustzijn. Dat zelfbewustzijn wordt rond het 42e levensjaar geboren. In de daarop volgende 21 jaar heeft elke mens de gelegenheid om vanuit bewustzijn aan zichzelf en aan de wereld te werken. Dit noemen we persoonlijk ondernemerschap, omdat het eigen initiatief en de eigen verantwoordelijkheid daarbij een hoofdrol spelen. Vanuit eigen initiatief en vanuit eigen streven bestaat de mogelijkheid om bewust iets bij te dragen aan de wereldontwikkeling. Al doende zal daarbij ook de eigen ontwikkeling sterk bevorderd worden.  Een dergelijk streven was reeds voor de geboorte bij de geest aanwezig en wordt in het leven zichtbaar als “levensopgave”.  De mogelijkheden om aan deze levensopgave te werken zijn vooral gelegen in de periode tussen 42 en 63 jaar. Wanneer deze opgave volledig vervuld zou worden, vallen de krachten weg, die de mens tot dat moment gemotiveerd en geïmpulseerd hebben. Het is vergelijkbaar met het behalen van de finish, bij bijvoorbeeld het lopen van een marathonwedstrijd. Op het moment dat de finishlijn wordt overschreden, kan een loper in elkaar storten. Zijn krachten hebben het begeven, of misschien beter: zijn krachten hebben zich gegeven.

Dit is een situatie waarin ouder wordende mensen zich mogelijk herkennen. Hij of zij heeft zijn krachten aan het leven gegeven. Wat valt er nog te doen? Wanneer het inderdaad alleen te doen zou zijn om de fysieke prestatie, zou het hiermee afgelopen kunnen zijn. Echter, zo lastig als het was om de geestelijke kern naar de aarde te brengen, zo lastig is het eveneens om de aardse kern weer naar het geestelijke te brengen. Zoals we tussen 0 jaar en 42 jaar eigenlijk een voortdurend geboorteproces kunnen waarnemen, dat afgesloten wordt met een zelfbewuste mens op aarde, geesteswezen op aarde, zo kunnen we de leeftijdsfase tussen 42 jaar en 84 jaar beschouwen als een voortdurend stervensproces, dat eindigt met een lichaam dat de geest gegeven heeft. Op aarde sterven betekent echter in de geest geboren worden, zoals op aarde geboren worden ook gelijk staat met in de geest sterven.
Oftewel gedurende het geleidelijke sterven op aarde wordt een geesteslichaam in de geestelijke wereld opgebouwd. Dit is vergelijkbaar met de opbouw van een fysiek mensenlichaam op aarde gedurende de eerste 42 jaar van het leven, waarbij de geest nog gedeeltelijk in de geestelijke wereld verblijft. De uiteindelijke verhuizing van de geest uit het aardse lichaam naar het geesteslichaam vindt tenslotte plaats bij het sterven.

Persoonlijke ontwikkeling zelf ter hand nemen
We hebben beschreven dat een mens zonder zelfbewustzijn geboren wordt, maar met zelfbewustzijn sterft. Gedurende de eerste 42 jaar van het leven ontwikkelt de mens zich naar het zelfbewustzijn toe. Frappant daarbij is, dat de belangrijkste ontwikkelingen van het fysieke lichaam zich afspelen vóór de geboorte. Immers dan worden alle fysieke zaken aangelegd. Het is een wonder hoe zich van een bevruchte eicel een ontwikkeling voordoet naar een mens met zintuigen en organen. Een mens met een stofwisselingstelsel, een zenuwzintuigstelsel en een ritmisch stelsel. Een mens die in staat is tot denken, voelen en willen, te beginnen bij de levenswil van een pasgeboren baby. Je kunt stellen dat deze hele ontwikkeling gestuurd wordt door krachten, waarop we met ons dagelijkse bewustzijn maar bijzonder weinig vat hebben.

Als polariteit daarvan kunnen we met ons bewustzijn erg veel invloed hebben op het persoonlijke ontwikkelingsproces tussen 42 en 84 jaar. Je zou kunnen zeggen dat de “geestelijke leiding”, die de eerste helft van het leven bestuurt, zich in de tweede helft heeft ‘teruggetrokken’ uit het dagelijkse leven van de mens. De mens moet zelf stappen ondernemen om de verbinding met de geestelijke wereld weer tot stand te brengen en te vernieuwen. De mens moet zelf de krachten sturen waarmee zijn geestelijke lichaam wordt opgebouwd.

De ontwikkeling van een mens wordt zichtbaar in zijn biografie. Gedurende het leven wordt elke mens voor tal van situaties geplaatst, die hem oproepen zichzelf te ontwikkelen. Het leven zelf wordt hierdoor een scholingsweg. Rudolf Steiner heeft talloze aanwijzingen gegeven waarmee deze individuele scholingsweg bewuster gegaan kan worden en daardoor ook versneld kan worden. Deze aanwijzingen zijn niet dwingend: de antroposofische scholingsweg is individueel en kan in vrijheid worden gegaan. Ieder mens moet ook zijn eigen weg gaan om die verbinding met de geestelijke wereld te hervinden en daarbij zijn hogere Ik (geesteslichaam) te wekken. Het gevolg daarvan is dat we bewuster, verantwoordelijker kunnen leven. Vanuit het aardse leven gezien krijgt het hoger Ik daardoor meer toegang tot de dagelijkse realiteit van het leven. Dit sluit goed aan bij het gegeven dat we vanaf het 42e levensjaar het leven meer vanuit zelfbewustzijn kunnen vormgeven.

Wanneer we de pensioengerechtigde leeftijd bereiken, trekken we ons terug uit het arbeidsproces. Wettelijk wordt dat in Nederland ondersteund vanaf het 65e levensjaar. Deze leeftijd is natuurlijk gekozen, omdat gebleken is dat de meeste mensen rond die leeftijd dusdanig in kracht inboeten, dat een normale deelname aan het arbeidsproces niet meer te verwachten is. Zo kun je jezelf afgeschreven voelen voor een normale deelname aan de maatschappij. Je kunt echter ook beleven dat het mogelijk wordt gemaakt dat geld en inkomen niet meer de belangrijkste drijfveren hoeven te zijn bij deelname aan het maatschappelijk leven. De ouder wordende mens heeft daarmee vrijheid gekregen om zijn activiteiten naar eigen inzicht vorm te geven. Wanneer de geldmotivatie wegvalt, kan naar voren komen welke andere motivaties gedurende het leven ontwikkeld zijn. Tevens komt naar voren met welke mensen en organisaties we ons verbonden hebben en hoe anderen ons ervaren hebben gedurende het werkleven. In deze kwaliteiten liggen de mogelijkheden verborgen die we als oudere mens hebben om de laatste levensfase zinvol te besteden.

Christuskrachten en tegenkrachten
Wanneer we onszelf voorstellen dat we als eenvoudige mens zelfbewust moeten gaan werken aan de geestelijke zintuigen en organen van ons geesteslichaam, dat op ons wacht bij het sterven, kan de moed ons in onze schoenen zinken. Dat kunnen we immers helemaal niet. We hebben toch geen verstand van geestelijke krachten? We kunnen niet eens zien wat we geestelijk allemaal bewerkstelligen. Kortom het lijkt een onmogelijke opgave. Op dit punt aangekomen kunnen we toegang krijgen tot de Christusimpuls. Rudolf Steiner heeft beschreven hoe de Christusimpuls bedoeld is om deze onmogelijke opgave toch mogelijk te maken. We kunnen dit ook herkennen in alles wat over de Christusimpuls gezegd en geschreven is. Christus maakt het mogelijk dat ons handelen geestelijk zo uitwerkt, dat daar een geestelijk lichaam uit voort kan komen. Wanneer we alle aanwijzingen van Christus volgen, wordt dat geestelijk lichaam een gezond en compleet lichaam, waarmee we in de geestelijke wereld ook werkelijk geestelijk kunnen handelen. Dat kunnen we uiteindelijk pas waarnemen, wanneer ons bewustzijn, na ons overlijden, naar dat geestelijke lichaam verhuist. Pas dan kan in dit geesteslichaam het zelfbewustzijn ontstaan, waarmee we dan ons eigen geestelijke lichaam kunnen waarnemen.

Tot die tijd moeten we het hier op aarde doen met tegenkrachten. Tegenkrachten zijn krachten die ons er ogenschijnlijk van afhouden om het goede te doen. Het zijn weerstanden binnen ons zelf die we in principe kunnen overwinnen, door het kwade ten goede te keren. Door dat te doen begeven we ons in de werkingssfeer van Christus, zoals hierboven is aangegeven. Elke keer wanneer we er in slagen om tegenkrachten te overwinnen, gaat dat gepaard met zowel een stap in onze innerlijke ontwikkeling als ook een daad die de wereld om ons heen ten goede komt. Voor het overwinnen van tegenkrachten is het in eerste instantie belangrijk om met ons eigen denken een voorstelling van deze tegenkrachten te maken. Daardoor kunnen we ze herkennen en daardoor kunnen we ook kiezen in hoeverre we ons door de tegenkrachten laten leiden of niet. In het algemeen kunnen we dan stellen dat het volgen van de Christuskracht ons geesteslichaam gezond en volledig maakt. Het volgen van de tegenkrachten maakt ons geesteslichaam daarentegen ongezond en onvolledig. Met onze aardse vermogens zijn we in principe in staat om het goede en het kwade van elkaar te onderscheiden. Bovendien kunnen we als mens zo vrij worden, dat we kunnen kiezen welke krachten we willen volgen. Geestelijke wezens voltrekken vervolgens de geestelijke consequenties die daaruit voortkomen. In het ondergaan van de consequenties van onze daden zijn we als mens dus niet vrij. Dat is op aarde ook al het geval. We zijn vrij om in het water te springen, maar de consequentie van het nat worden door het water kunnen we niet vermijden.
Hieronder volgt een stukje over tegenkrachten als hulp bij de ontwikkeling van ons onderscheidingsvermogen.

Tegenkrachten en de Christuskracht
Rudolf Steiner geeft aan dat we de wereldmachten in principe in vier soorten kunnen onderverdelen. Daarbij zijn drie kwade krachten te onderscheiden en één goede. Het Christelijke is het meervoudig goede en de andere drie heten dan luciferische krachten, ahrimanische krachten en anti-christelijke krachten. Voordat we een goede voorstelling van deze krachten kunnen krijgen, moeten we ons eerst voorstellen hoe een mens in de wereld werkzaam is.
1.    De mens is in eerste instantie een waarnemende mens. Vanaf zijn geboorte, en zelfs al daarvoor, opent hij zijn zintuigen en neemt de wereld door deze zintuigpoorten waar. Wanneer de waarnemingen goed gebeuren en in het voelen en denken correct worden verwerkt, wordt de werkelijkheid van de wereld innerlijke waarheid.
2.    De mens is ook een medemens. Persoonlijke menswording kan niet zonder ontmoetingen met de medemens. Hij/zij leert van de medemens en leert aan de medemens. Hij verbindt zich met de medemens en hij verbreekt verbindingen. Hij heeft familie, collega’s, vrienden en vijanden.
3.    De mens is ook een strevende mens. Hij wil dingen op aarde veranderen, doelstellingen realiseren. Door zijn streven in denken, voelen en willen te realiseren, ontstaan zaken op de aarde die uit het geestelijke voortkomen. Wezenlijke zaken worden werkelijkheid. Dit noemen we: initiatief nemen.

Luciferische krachten staan voor niet realiseerbare initiatieven. Deze machten beïnvloeden het denken zodanig, dat een mens zeer enthousiast kan worden voor mooie voorstellingen, die echter geen werkelijkheid kunnen worden. Het kwade zit hem daarmee in “het niet realistische”, waardoor de mens afgehouden wordt van het wel realistische. Doordat er wilskracht ongebruikt blijft, kan de mens onder luciferische invloed heel emotioneel reageren. Woede, overmatig verdriet, kwaadheid en overmatige vreugde horen daarbij. Eigenlijk krijg je steeds de indruk dat de emoties niet in verhouding zijn met de feiten.

Ahrimanische krachten heersen op aarde en grijpen aan in de waarneming. Zij staan voor het gedachteloos handelen, maar ook voor het niet handelen daar waar dat eigenlijk wel zinvol zou zijn. Zij laten de mens een wereld zien waarin hij eigenlijk machteloos is. Alles gaat toch zijn weg langs allerlei wetmatigheden, waarbij de mens er niet toe doet. Bagatelliseren van de werkelijkheid en van idealisme horen daarbij. Het gevoel wordt te weinig aangesproken, omdat de verbinding met zingeving wordt uitgehold. Daardoor doen mensen onder invloed van ahrimanische krachten koud en verstandig aan. Iets te veel uiteraard in verhouding tot de situatie. Daarnaast zal hem/haar een zekere angst bekruipen, omdat de mens onwerkelijkheid wordt voorgetoverd. Het heeft er de schijn van dat de werkelijkheid geen geestelijke kern zou hebben en de verbinding met het geestelijke lijkt te zijn afgesloten.

Anti-christelijke krachten tenslotte geven de illusie dat mensen en organisaties zich niet zullen of kunnen ontwikkelen. Daardoor ontstaat de neiging om de huidige situatie of de huidige trend onveranderd naar de toekomst te denken. Het gevolg hiervan is dat mensen vastgeprikt worden op hun daden en vermogens uit het verleden. “Jij kunt dat toch niet”, “jij bent slecht” of “ik leer dat nooit” zijn uitspraken die daarbij horen. Vanuit de anti-christelijke krachten krijg je de neiging om mensheid in vrienden en vijanden te verdelen. In ontmoetingen met vijanden ben je geneigd te strijden. In ontmoetingen met vrienden krijg je een neiging tot feestvieren. Beide activiteiten sluiten ontwikkeling uit, wanneer we ons er in verliezen. Vieringen en onenigheden kunnen ook gezien worden als ontmoetingsmomenten met kansen om anderen beter te leren kennen. Dan verliezen we ons er niet in, maar maken er gebruik van.

Door de tegenkrachten zo te beschrijven kan elk mens deze tegenkrachten ook in zichzelf ontdekken. Het is algemeen menselijk om aan dergelijke krachten onderhevig te zijn. Persoonlijke ontwikkeling bestaat er onder andere uit dat je je bewust kunt worden van  dergelijke krachten in jezelf. Eenmaal ontdekt, verliezen ze al een belangrijk gedeelte van hun werkzaamheid. Eenmaal ontdekt kan geprobeerd worden om het kwade ten goede te keren, hetgeen ook de werking van de Christusimpuls is. Dus door te pogen het kwade ten goede te keren sluit je aan bij de Christusimpuls.

Voor het luciferische betekent het kwade ten goede keren: “het niet realistische proberen om te werken naar iets realistisch”. Dat wil vaak zeggen dat de ideeën iets kleiner moeten worden en dat er persoonlijke inzet en arbeid noodzakelijk zijn om een idee te verwerkelijken. Ook betekent het meestal dat er wat meer tijd nodig is om een dergelijk initiatief te kunnen realiseren.

Voor het ahrimanische betekent het: “het zinloze omvormen naar iets zinvols”. Daarvoor is vaak denk- en organiseerwerk noodzakelijk. Ook heel gerichte arbeid zal vaak noodzakelijk zijn en het bewust werken met geld is ook belangrijk. Het kan hierbij ook gaan om iets wat al gerealiseerd is. Door het denken en voelen hierover tot ontwikkeling te brengen, kan achteraf de zingeving verbonden worden met daden die dat oorspronkelijk niet zo makkelijk tonen. Wanneer iemand bijvoorbeeld als kind een ongeluk heeft gehad, kan later in het leven blijken dat door de ontmoeting met een bepaalde arts de motivatie is ontstaan om zelf arts te worden. In eerste instantie lijkt zo’n ongeluk weinig zinvol, maar gedurende het leven kan de werkelijke zin er van zich tonen. We kunnen hier een activiteit herkennen die uit de aard der zaak passend is in de laatste levensfasen.

Voor het anti-christelijke wil het veelal zeggen dat we onze eigen vooroordelen en antipathieën moeten overwinnen. Mensen, maar ook ons zelf, steeds weer een nieuwe kans geven en onderzoeken wat er reëel noodzakelijk is om zo’n nieuwe kans een kans van slagen te geven. Het heden is niet alleen een afsluiting van het verleden, maar ook een opening naar de toekomst. Daarnaast kunnen we het bewustzijn voor ontmoetingen versterken. Iedere ontmoeting geeft kansen voor ontwikkelingen. Door ontmoetingen tussen mensen zodanig vorm te geven dat de kern, het wezenlijke van de betrokkenen naar voren kan komen, wordt ontwikkeling gestimuleerd. Daarvoor kunnen nieuwe rituelen ontwikkeld worden. Ik denk hierbij bijvoorbeeld aan een nieuwe invulling van het vieren van de jaarfeesten of het op een nieuwe manier vormgeven van (religieuze) bijeenkomsten.

Van het Christelijke kunnen we dan nog zeggen dat het de mens in eerste instantie naar de eenzaamheid voert. Bij het Christelijke moeten we op ons eigen oordeelsvermogen rusten, om van daaruit een standpunt in te nemen tegenover de medemens en tegenover het kwade. Pas vanuit een standpunt kunnen we helder denken en oordelen. Vervolgens moeten we kiezen voor een rol in het proces. Pas vanuit een bepaalde rol in het proces kunnen we namelijk zinvol handelen. Vanuit eigen inzichten initiatief nemen brengt je in eerste instantie tegenover de anderen. Dat gevoel moet steeds opnieuw overwonnen worden.

Tegenkrachten zijn echter verleidelijk doordat ze ook dingen met zich meebrengen die wij waarderen en die ook een goede werking kunnen hebben.

Het luciferische brengt bijvoorbeeld ook schoonheid met zich mee en persoonlijke vrijheid. Juist de schoonheid kan ons verleiden tot het luciferische. Daarmee is Lucifer ook de grote verleider met behulp van de schoonheid en alles wat daarmee samenhangt.

Het ahrimanische brengt ook macht met zich mee. Macht stelt ons in staat om werkelijk in te grijpen in het aardse, hetgeen belangrijk is bij het realiseren van initiatieven. Ahriman is daarmee wel de grote manipulator die werkt via macht en onmacht en alles wat daarmee samenhangt.

De anti-christ is degene die mensen tegen elkaar opzet, maar binnen groepen juist het gevoel van saamhorigheid oproept. De anti-christ is dus degene die het groepsgevoel binnen een groep oproept maar tegelijkertijd de grote verdeler, die de mensheid in talloze groepen verdeelt en tegen elkaar opzet.

Hieronder worden enkele instrumenten genoemd, die ons als mens ter beschikking staan in de strijd tegen de tegenkrachten. De tegenkrachten maken zelf echter ook gebruik van deze instrumenten, door te proberen het bewustzijn van hun werking te versluieren. Het zijn tweesnijdende zwaarden die ten goede en ten kwade kunnen werken.

Taal en realiteitszin zijn de wapens die we tegen lucifer kunnen inzetten, die zelf onwaarheid en ziekte meebrengt. Geld en moraliteit zijn de wapens die Ahriman treffen, die zelf vergissing, angst en verlamming meebrengt. Liefde, mededogen en rechtvaardigheid zijn de wapens die de anti-christ zullen treffen, die zelf vals saamhorigheidsgevoel en versluierd denken en vooroordelen met zich meebrengt.

Christus zegt: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Wie zich met mij verbindt komt tot de vader”. Daarmee drukt hij uit dat de wereld-ontwikkeling alleen via de Christusimpuls voortgang kan vinden, omdat hij de heerser is van de wereld die moet ontstaat bij de volgende incarnatie van de aarde als geheel. In die incarnatie moet de liefde verbonden zijn aan de wijsheid. De mensheid zal in die incarnatie opgestegen zijn tot het niveau van de engelen en in die nieuwe rol meewerken aan de nieuwe wereld.

Oefeningen die persoonlijke ontwikkeling bevorderen

Rudolf Steiner heeft oefeningen gegeven die de persoonlijke ontwikkeling sterk bevorderen en die door iedereen kunnen worden gedaan. Deze oefeningen blijven tot in de laatste levensfasen van belang en kunnen ook goed door ouderen worden gedaan. Door het individuele karakter van de oefeningen, en doordat de oefeningen ‘meegroeien’ met degene die ze doet, kan een ander nooit bepalen of je ze goed doet of niet. Wel kan het met elkaar praten en lezen over de oefeningen en naar elkaars ervaringen luisteren, behulpzaam zijn bij het vinden van de eigen oefenweg.  Nationaliteit, volksaard, etc. zijn medebepalend voor de wijze waarop een mens zijn eigen weg gaat en dus voor de wijze waarop hij inhoud geeft aan de oefeningen en de wijze waarop de oefeningen ‘werken’.

Terwijl de oefeningen worden gedaan, worden zogenaamde drempelervaringen opgedaan. Er ontstaan momenten waarop een soort innerlijk sterven kan worden ervaren in de wil, in het voelen en in het denken. Deze naar voren gehaalde stervenservaringen (‘drempelervaringen’) kunnen worden overwonnen met behulp van de innerlijke krachten die door de oefeningen worden verkregen. Pas daarna is echte scholing van het hogere bewustzijn mogelijk, door de ontwikkeling van drie nieuwe, hogere bewustzijnstoestanden (imaginatie, inspiratie en intuïtie). Het is de bedoeling om met behulp van deze oefeningen deze nieuwe vermogens te ontwikkelen of anders gezegd: om een ‘voedingsbodem’ te creëren voor deze reeds sluimerende ver¬mogens.
De oefeningen moeten eigenlijk van het hoger zelf of hoger ik uitgaan en leiden op den duur tot heerschappij van het hogere zelf over het lagere zelf. De oefeningen hebben ook hun uitwerkin¬gen in de nacht. De nacht helpt je verder op je ontwikkelingsweg. Het gaat er bij de oefeningen om, om ‘heerschappij van de ziel’ te verkrijgen over de loop van je gedachten, je gevoelens en je wil. Het is de bedoeling om standvastigheid, zekerheid en evenwicht te verkrijgen bij de vraagstukken die het dagelijks leven aan je stelt.

Het begin van de oefeningen
Eerst moet een begin, een ‘innerlijk fundament’ worden gevonden om de ‘Nebenübungen’ te gaan doen. Dit is voor de meeste mensen al een oefening op zich: ‘Wanneer begin ik en waarom?’ Het antwoord op deze vraag ligt altijd in je¬zelf besloten en wordt biografisch zichtbaar. Dat wil zeggen dat er vanzelf een moment  in ieders levensloop naar voren komt, dat er innerlijk een soort vraag omhoog komt: “Ga ik werken aan mijn persoonlijke ontwikkeling, ja of nee?” Het kan nooit een ander zijn die je er de opdracht toe geeft. Op de scholingsweg is het ik zijn eigen meester. Het is raadzaam om niet te hoge eisen aan jezelf te stellen. Kleine concrete stappen waarin je kunt slagen zijn haalbaar en geven een goed fundament. Het is daarbij niet de bedoeling om negatieve kanten in jezelf door middel van de oefeningen te lijf te gaan, maar positieve krachten te versterken. Pas wanneer je met behulp van de oefeningen je positieve kanten hebt versterkt (in den¬ken, voelen en willen), kun je met een versterkt wezen je zwakke kanten aanpakken. Dit blijkt dan op den duur vanzelf tot stand te komen.

De oefeningen brengen een proces op gang en hoeven daarom niet te slagen om toch resultaat te boeken. Het resultaat open¬baart zich pas na verloop van tijd buiten de oefeningen om. De oefeningen zorgen als het ware voor een krachtenont¬wikkeling. (Wanneer je elke dag een loden deur probeert open te duwen, zal dat wellicht nooit lukken. Door de pogingen worden je spieren echter wel gesterkt, waardoor ze op andere momenten beter te gebruiken zijn.)
Het is zinvol om afspraken met jezelf te maken met betrekking tot de oefeningen, afspraken die je eventueel zelfs in je agenda vastlegt. Deze ‘afspraken’ betreffen bijvoorbeeld de datum van het beginnen met een bepaalde oefening, maar ook de termijn van het doorgaan met die oefening (één week, twee weken, een maand). Zonder een einddatum vast te leggen, ben je altijd de ‘verliezer’. Niemand houdt het vol om bepaalde oefeningen voortdurend te blijven te doen! Wanneer een oefening ‘mislukt’, is het raadzaam om toch te proberen door te gaan. Ook kun je met een andere oefening beginnen en de ‘mislukte’ tot een later tijdstip bewaren, wanneer de tijd er wel rijp voor is. Maar ook als een oefening direct lukt is het raadzaam om ermee door te gaan. Vaak zal blijken dat het ‘beginnersgeluk’ was (of ‘hulp van boven’ om je zelfvertrouwen te geven) en dat er in de regel nog heel wat te ‘scholen’ valt wanneer de oefening – zonder hulp van boven – een eigen krachtsinspanning wordt. De beschreven ‘Nebenübungen’ stimuleren vijf sluimerende eigenschappen van de ziel, die een ieder in zich kan wekken en ontwikkelen:
1. de heerschappij over de loop der gedachten (denkoefening);
2. de heerschappij over de wilsimpulsen (wilsoefening);
3. de innerlijke rust tegenover lief en leed (gevoelsoefening);
4. de positiviteit bij het beoordelen van de wereld (positiviteits-oefening);
5. de onbevangenheid bij de opvatting van het leven (onbevangenheids-oefening).
Door achtereenvolgens bepaalde tijden aan elk der oefeningen te besteden, zal ook de behoefte ontstaan om de ge¬wekte eigenschappen in onderlinge harmonie te laten samenklinken. De oefeningen kunnen dan ook een tijd twee aan twee, of drie aan drie worden gedaan. De oefeningen zijn weliswaar door Rudolf Steiner in een bepaalde volgorde gege¬ven (eerst het denken versterken, daarna de wil en tenslotte het voelen), doch deze volgorde is niet dwingend. Wanneer er een voorkeur voor een bepaalde oefening bestaat, kan deze voorkeur zeker meespelen bij het kiezen van de eigen volg¬orde. Alhoewel er een duidelijke samenhang tussen de afzonderlijke oefeningen bestaat, is het meest wezenlijke een eigen toegang tot de oefeningen te vinden.

Eerste oefening: de heerschappij over de loop der gedachten (denkoefening).
Gedurende een bepaalde periode moet je elke dag enkele minuten de gedachten richten op een alledaags voorwerp (bijv. een potlood), en de gedachten gedurende die tijd uitsluitend op dat voorwerp gericht houden. Alle gedachten die niets met het onderwerp te maken hebben probeer je in die periode niet tot het denken toe te laten. Begin niet met een te lange periode en zeker niet met een te lange tijd per dag. Eén minuut is al heel lang, dus een uiteindelijk streven van bijvoorbeeld vijf minuten per dag is waarschijnlijk pas na langere tijd haalbaar. Deze oefening bevordert een standvastig denken. Uitsluitend gedachten die in het voorwerp besloten zitten zijn toegestaan. Daarom is het verstandig om als denkobject bij deze oe¬fening een gebruiksvoorwerp te nemen en niet een levend voorwerp.

De volgende stappen kunnen daarbij behulpzaam zijn:
Stap 1: neem het voorwerp in de hand, bekijk het aandachtig en leg aan een denkbeeldige blinde uit wat je ziet.
Stap 2: hetzelfde als de eerste stap, maar nu niet meer met het voorwerp concreet voor je, doch uitsluitend in je ge¬dachten.
Stap 3: ga het productieproces van het voorwerp in gedachten na. Ook kun je je gedachten richten op het doel van het voorwerp. Wanneer deze oefening lukt, leidt hij je naar het wezen van de dingen (het idee achter de voorwerpen)!

Tweede oefening: de heerschappij over de wilsimpulsen (wilsoefening). Terwijl bij de denkoe¬fening de wil in het denken werd gebracht, wordt bij de wilsoefening het denken in de wil gebracht. De wilsoefening houdt in dat je gedurende een bepaalde periode elke dag op een voorgenomen tijdstip een bepaalde handeling verricht. Zoek een handeling uit die op zichzelf niet zinvol is, maar wel makkelijk uitvoerbaar is. Niets van buiten moet je stimuleren en ook niets van buiten moet je tegenhouden. Het gaat immers om het versterken van de eigen wil. Het is dus raadzaam om een heel eenvoudige handeling te kiezen die je overal kunt doen (bijv. je horloge een keer omdraaien om je pols). Neem in het begin een ruime tijdsmarge (bijv. ‘s ochtends tussen 10.00 en 12.00 uur) die je langzaam maar zeker verkleind. Het is eenvoudiger om met jezelf af te spreken elke dag op hetzelfde tijdstip de voorgenomen handeling te verrichten, dan om dagelijks voor de volgende dag een ander tijdstip te kiezen. Raadzaam is dit laatste dan ook pas te doen, wanneer het een langere tijd lukt om je aan het vaste tijdstip te hou¬den. En ook dan lukt het slechts enkelen om direct op een per dag wisselend tijdstip de handeling te verrichten. Een wis¬seling per week kan een tussenfase zijn. Wanneer je erachter komt dat je vergat de oefening te doen, doe hem dan alsnog. Dit zorgt ervoor dat je iets naar jezelf toe goedmaakt. Het verlangen om het de volgende dag wel te doen wordt groter!
Het resultaat van deze oefening is het meer vat krijgen op de eigen wilskracht. Beter kunnen doen wat je wilt.

Derde oefening: de innerlijke rust tegenover lief en leed (gevoelsoefening). Alhoewel de mens momenteel nog niet in staat is om rechtstreeks zijn gevoelsleven te ‘sturen’ (‘in de hand te houden’), kan hij zich wel bewust worden van zijn gevoelens en van de wijze waarop emoties zijn handelingen bepalen. De gevoelsoefe¬ning is dan ook hierop gericht. ‘’Innerlijke rust’ verkrijgen moet derhalve niet betekenen: gevoelsarm worden, maar in staat zijn tot het beheersen van de eigen emoties.  Een innerlijk evenwicht en gemoedsrust kunnen handhaven in situaties die anders uitlokken. Het resultaat moet dus niet zijn dat je geen verdriet of enthousiasme meer voelt, maar dat je je niet meer door dergelijke gevoelens laat overheersen.
Deze oefening kun je in het begin doen door situaties in gedachten te nemen waarbij sterke gevoelens opkomen (zowel van blijdschap als van droefheid). Bij het terugkijken op dergelijke situaties kan dan gelijkmoedigheid geoefend worden. Concrete andere situaties waarin je deze oefening kunt doen zijn:
1.    de natuur: Laat de belevingen in de natuur blijven, dus bij het zien van een mooie plant, het horen van de eerste merel, het ervaren van een prachtig uitzicht etc., de genieting puur aanwezig laten zijn zonder deze te duiden, te verwoor¬den en zonder ernaar te gaan handelen (of vast te leggen: fotograferen). Geniet in stilte en laat de ervaring gewoon aan¬wezig zijn. Je kunt ook in stilte samen met een ander genieten!
2.    een kunstvoorwerp of een culturele uiting: De oefening is hetzelfde als bij natuurervaringen. Laat de gevoelens die opkomen bij het kijken naar een kunstvoorwerp of bij het bijwonen van een concert of andere voorstelling bij jezelf. Ook wanneer er negatieve gevoelens opkomen, doordat de kunstzinnige uiting je niet beviel!

Vierde oefening: de positiviteit bij het beoordelen van de wereld (positiviteits-oefening).
Probeer in situaties die je tegenkomt het ware, schone, goede te ontdekken (zoals Christus over het mooie ge¬bit van de hond sprak, toen hij een hondekadaver zag liggen). Ook wanneer de positieve kanten verdoezeld zijn door ver¬keerde, slechte, lelijke zaken. Dit kan zowel aan personen als aan situaties worden geoefend. In eerste instantie kun je misschien zelfs zover gaan dat je alle gevoelens van ongeduld, onbehagen en afwijzing even aan de kant probeert te zetten en vervolgens op zoek gaat naar positieve kenmerken. Een goed ‘oefenterrein’ is het in gedachte roepen van een confrontatie met een persoon met wie je het absoluut niet kunt vinden. Probeer de positieve intenties van die persoon te vinden of zoek positieve gevolgen van negatieve daden. Het is niet de bedoeling om het eigen oordeel te verlie¬zen. Ook is het niet de bedoeling om je in je leven altijd uitsluitend tot het positieve te richten. Het gaat er om dat de negatieve aspecten niet verhinderen om ook positieve kanten te zien. Een ander oefenterrein kan het terugblikken op de dag zijn. Bij deze terugblik kun je je ook richten op het zoeken van positieve waarnemingen of gebeurtenissen.

Vijfde oefening: de onbevangenheid bij de opvatting van het leven (onbevangenheids-oefening). Door naar situaties te kijken (in het begin misschien niet naar mensen, dit kan direct te veel gevoelens opleveren!) en deze situa¬ties zonder oordelen tegemoet te treden, school je de ‘onbevangenheid’. Vraag je af wat er te ontdek¬ken valt, ook (met name!) in situaties die je goed kent en al veel vaker tegen kwam. Ook ideeën die in tegenspraak zijn met de eigen overtuiging kunnen waarheden bevatten, die je kunt ontdekken wanneer je ze zonder vooroordeel tegemoet treedt. In zijn voordracht van 7 december 1918 (opgenomen in GA 186: ‘Die soziale Grundforderung unserer Zeit’) heeft Steiner aanwijzingen gegeven voor het onbevangen waarnemen van anderen als basis voor het ontwikkelen van sociale vermogens.

Steiner geeft hier aan dat een hulp kan zijn bij het onbevooroordeeld waarnemen van een ander, hem te be¬zien door ‘de bril’ van het beeld ‘De Mensheidsrepresentant’. Dit beeld is door Rudolf Steiner zelf ontworpen en vervaardigd. In dit beeld staat een mens afgebeeld tussen drie tegenkrachten. Lucifer komt van boven, Ahriman komt van beneden en de antichrist komt van opzij. We kunnen onszelf de volgende vragen stellen: waar staat de ander recht overeind? Waar heeft Ahriman greep op hem? En waar Lucifer? Waar heeft hij deze krachten overwonnen? Door met behulp van deze beelden van Ahriman en Lucifer en de anti-christ te kijken, zonder te veroordelen, ontstaat er een waarnemingskracht in je die je leert te onderscheiden. Het is belangrijk om oordelen in eerste instantie, “voorlopig” te houden en ze voortdurend te toetsen aan nieuwe waarnemingen en aan de eigen beperkingen.

Ook het waarnemen langs zgn. vier categorieën in het “biografie practicum” , vormt een goed hulpmiddel om de onbevangenheid te oefenen en vorm te geven. Deze categorieën worden als volgt aangeduid:
1-    Het zoeken van karakteristieken in een verhaal of in een waarneming.
2-    Het zoeken van opvattingen, vanwaaruit het verhaal verteld wordt.
3-    Het zoeken van beelden, die door het verhaal bij de luisteraar worden opgeroepen
4-    Het stellen van een vraag aan de verteller van een verhaal, om de verteller te wekken voor een benadering die deze nog niet goed schijnt te kennen.
Deze manier van waarnemen wordt ook wel fenomenologisch waarnemen genoemd. Bij fenomenologisch waarnemen kun je de vol¬gende vijf stappen onderscheiden, die allen betrekking hebben op hetzelfde object van waarneming:
Stap 1: beoordelen op feitelijkheid: neem zo exact mogelijk waar. Verzamel feiten, zonder interpretaties en menin¬gen. Neem de gegevens die getoond worden, zo ruim mogelijk op. Heb daarbij vertrouwen in de eigen waarneming. Breng de handelingen naar een soort “heden” en ga na of je je iets kunt voorstellen.
Stap 2: een tijdsbeeld opbouwen door te zoeken naar karakteristieken die in de waargenomen feiten te onderkennen zijn: welke beweging of veranderingen kun je waarnemen. Hoe zien de metamorfosen eruit? (Bijv. bij een plant: hoe verhouden zich de onderste – eerste – bladeren, tot de bovenste, de laatst ontwikkelde?) Hoe is de ontwikkeling door de tijd heen?
Stap 3: zoeken naar opvattingen of verborgen bestuurders: Zoek naar verbindingen tussen de waargenomen feiten en de gevonden karakteristieken. Daarmee kun je de gedachten vinden die kennelijk sturend op de eerder gevonden feiten en karakteristieken hebben ingewerkt, al dan niet bewust. Je maakt kennis met de denkwereld achter de waargenomen karakteristieken en feiten. Gedachten die wel sturend hebben gewerkt, maar waarvan betrokkene zich wellicht niet bewust was, worden “verborgen bestuurders” genoemd.
Stap 4: een beeld op laten komen: door de eerste drie stappen ontstaat een gevoel voor het wezenlijke van de beschreven of waargenomen situatie. Wat is het ‘gebaar’ dat vanuit het waargenomene tot ons wil komen? Hoe kan zo’n gebaar verbeeld worden? Ga hierbij niets ver¬zinnen, doch laat dit in je ontstaan/opkomen. Wanneer er niets opkomt, moet je nog langer met de eerste drie stappen bezig zijn.
Stap 5: een wekkende vraag stellen: uit het beeld kan een vraag ontstaan. De bedoeling van de vraag is hierbij niet dat je een antwoord krijgt, maar dat de betrokkene de vraag meeneemt om op een speciale manier naar de situatie te kijken die verwoord is. De vraag is dus een instrument om een nieuw standpunt in te nemen. Het is een zgn. “wekkende vraag” die de ander kan helpen om dezelfde feiten te gaan onderzoeken in het licht van een nieuw aandachtsgebied.

Het wezenlijke van het onwezenlijke onderscheiden
Naast de vijf ‘Nebenübungen’ heeft Rudolf Steiner nog veel andere oefeningen gegeven die ondersteunend werken bij de individuele scholingsweg. Een belangrijke oefening daarbij is: het onderscheiden van het wezenlijke van het onwezenlijke, oftewel oordelen.
Bij het oordelen is het van belang welk uitgangspunt je kiest. Voor de persoonlijke ontwikkeling kan uiteindelijk alleen een biografisch uitgangspunt recht doen aan een oordeel. Dat wil zeggen dat je in je oordeel betrekt hoe het staat met de biografische ontwikkeling van degene of datgene wat beoordeeld wordt. Een kind moet anders beoordeeld worden dan een volwassene. Een kunstwerk waar de kunstenaar net aan begonnen is, moet anders beoordeeld worden dan een kunstwerk dat gereed is. Een kunstwerk aan het begin van een carrière moet anders beoordeeld worden dan een kunstwerk aan het einde van een carrière. Het wezenlijke kan uitsluitend door een wezen worden ontmoet en herkend. Het enige wezen dat het wezenlijke in situaties kan ontdekken is het eigen wezen (dus het eigen ik). Om de wezenlijke gebeurtenissen in je leven te leren ontdekken, moet je jezelf gaan beschouwen vanaf een hoger plan, vanuit een biografisch perspectief. Je kijkt dan naar jezelf, naar je gedachten, gevoelens, daden, etc., alsof je naar een ander kijkt, tegen het licht van een normale biografische ontwikkeling. Je kunt dan gaan waarnemen wat er werkelijk wezenlijk voor jezelf was in bepaalde situaties. De hiervoor beschreven vijf stappen zijn daarbij behulpzaam.

Drie ontwikkelingswegen
Elke mens gaat in zijn biografie een ontwikkelingsweg. Deze weg kan er per persoon nogal verschillend uitzien. Om enig begrip te kunnen krijgen voor elkaars ontwikkelingsweg, kun je de mensen in drie types onderverdelen, namelijk: koningen, herders en dienaren. De koningen hebben een zekere affiniteit tot wetenschap en idealen, kortom tot het denken. Het zijn in eerste instantie denkers, die in hun leven het “doen” als opgave ervaren. Zij zijn vaak vaardig in taal en rekenen, maar onhandig in de daad. Herders zijn precies omgekeerd, zij zijn vaak vaardig met hun handen en creatief in de praktijk, maar hebben vaak moeite met rekenen en taal. Hun opgave is juist om daarin vaardigheid te ontwikkelen. De dienaren tenslotte zijn noch in het denken noch in het doen extreem vaardig. Zij zijn in hun medemensen geïnteresseerd, die ze bewonderen om hun vaardigheden en die ze graag een helpende hand toesteken bij hun onvermogens.

De koningsweg of de ‘denkweg’.
Sommige mensen konden al lezen, voordat ze dat op school geleerd hebben. Ze bleken vaardig in het rekenen en kwamen goed mee in de abstracte vakken op school. Ze doorliepen de middelbare school makkelijk en veelal waren ze ook in staat om een universitaire studie te volgen en af te maken. Het kunnen dan schrijvers of onderzoekers geworden zijn, die bij hun werk vaak hun hoofd nodig hebben. Het zijn zogenaamde “denkers”, in tegenstelling tot “doeners”. In onze tijd kan ons denken echter soms zo abstract worden, dat we kunnen zeggen dat we ‘dood in het denken’ kunnen tegenkomen. Dan komt het denken helemaal los te staan van het werkelijke leven. Dan kan het ook gebeuren dat de resultaten van onderzoek of ander denkwerk niet meer vruchtbaar in de wereld opgenomen kunnen worden. Door sociaal geïnteresseerd te zijn in de belevenissen van anderen, door je eigen denkwereld sociaal te voeden met de werkelijkheid van anderen, kun je tot het besef komen dat je als mens een onderdeel bent van een groter geheel. Er kan door het denken heen een gevoel van ‘wedergeboorte’ ontstaan,  wanneer je, door met de realiteiten van iemand anders bezig te zijn, de ander gaat verstaan. Je verbindt je met de gezichtspunten, de blikrichting van de ander. Je begint het ontwikkelingsproces van de ander te zien. Dan kan het denken een levend denken, een soort “procesdenken” worden. Dit kan de ‘opstanding’ in het denken genoemd worden.
Je kunt dit oefenen door bijvoorbeeld groeiprocessen in de natuur waar te nemen, of de ontstaansgeschiedenis van producten in de economie. De denkweg wordt dan een oefening in imaginatie.

De dienaarsweg of de ‘gevoelsweg’.

Sommige mensen hadden vroeger al veel vriendjes en waren steeds gangmaker bij spelletjes en ontmoetingen. Op school waren het geen uitblinkers, maar ze speelden wel een belangrijke rol bij de processen die zich in de klas tussen kinderen afspelen. Het konden stokers zijn, maar ook vredestichters, omdat ze een toegang hebben tot het gevoelsleven van de andere kinderen. In hun verdere leven hebben ze vaak te maken gehad met wisselende beroepen en met dienstverlenende situaties. De dienaarsweg wordt aangesproken door de verbinding met anderen. Vanuit een verbinding ontstaat de neiging om mee te denken, mee te voelen, mee te lijden met die ander. Dan kun je jezelf ook verliezen in de ander, waardoor je eigenlijk in de ander sterft. Wanneer je hierbij het bewustzijn niet verliest, er bij blijft, kan het gebeuren dat je vanuit de ander gaat denken, voelen en willen. Dan kan blijken dat je in die situatie de ander kunt helpen, omdat je wel vanuit de ander leven kan, zonder verstrikt te zijn in diens realiteit. Daardoor kun je de ander dingen aanreiken die hem of haar werkelijk verder kunnen brengen. De gevoelsweg is een oefening in inspiratie.

De herdersweg of de ‘wilsweg’.

Deze weg ligt open voor mensen die geneigd zijn om de dingen al doende te benaderen. Eerst doen dan denken zou hun motto kunnen zijn. Het zijn mensen die vaak als kind al van aanpakken weten en vaak ook de capaciteit hebben om vakman of vakvrouw te worden in een bepaald beroep. Ook in je wilsleven kun je een stervensmoment ontmoeten, wanneer je je onmachtig voelt om iets te doen wat eigenlijk noodzakelijk is, of wanneer je niet meer weet wat te doen. Er moeten dan nieuwe impulsen, nieuwe ingevingen ontstaan als ‘wedergeboorte’, die de wil kunnen sturen. Dergelijke wilsimpulsen kunnen ontstaan, wanneer je niet meer probeert om je eigenbelang te volgen, maar je te laten leiden door de belangen van anderen. Wanneer je jezelf oprecht verbindt met vragen of behoeftes van anderen, kunnen wilsimpulsen in je opkomen die daarmee verband houden. Deze neigingen moet je leren te volgen, zonder terug te deinzen, dan kun je een opstanding in de wil ervaren. Dit zijn soms niet de dingen die je leuk vindt of goed kunt, doch de dingen die noodzakelijk zijn! Er kan dan daadwerkelijk een gevoel van ‘sterven’ en ‘opstanding’ door het handelen heen ontstaan. De wilsweg is een oefening in intuïtie.

Terugkijken op het leven
Een belangrijke activiteit in de laatste levensfasen bestaat uit het terugkijken op het leven. Wanneer we met behulp van de bovenstaande scholingsoefeningen het eigen oordeelsvermogen hebben versterkt, kan dit versterkte oordeelvermogen worden gebruikt om opnieuw, achteraf, te oordelen over het leven dat zich al voor een belangrijk deel heeft voltrokken. Daardoor komen feiten en handelingen in een ander licht te staan als tevoren. Van sommige dingen krijgen we spijt en andere dingen stemmen tot tevredenheid. Sommige zaken zijn niet of niet goed afgewikkeld. In veel dingen zullen we moeten berusten omdat gedane zaken nu eenmaal geen keer nemen. Er kunnen echter ook nog zaken aan het licht komen die nog aangepakt kunnen worden. In ieder geval kan dat opgaan voor verhoudingen met vrienden, vijanden en bekenden. Voorzover die nog niet overleden zijn kunnen we nieuwe ontmoetingen arrangeren en zoeken naar de juiste verhoudingen.  Voorzover ze wel overleden zijn kunnen we proberen om deze goede verhouding in ieder geval innerlijk tot stand te brengen. Het zal een hulp blijken te zijn in ons geestelijk leven na de dood. Soms kunnen we nog daadwerkelijk actief worden en soms kan het geld ons helpen om schulden te vereffenen of initiatieven alsnog te ondersteunen. Tal van zaken kunnen tevoorschijn komen die zinvol gedaan kunnen worden in het licht van een goede afsluiting van het leven dat geleefd is.
Om dit terugkijken op het leven nog verder te verdiepen, kunnen we door studie, of door bijvoorbeeld deel te nemen aan een biografie-practicum, scholen in de wetmatigheden van een mensenleven, de biografiekunde. Ook daardoor zal ons oordeelsvermogen over het leven versterkt worden. Hieronder volgt een beknopte beschrijving van een normale levensloop, waarmee een eerste aanzet gegeven is tot verdere verdieping in deze benadering.

Biografische wetmatigheden
−    De eerste 21 jaar staan meer in het teken van groei en ontwikkeling van het fysieke lichaam, het etherlichaam en het astraallichaam. Hierbij speelt de opvoeding een belangrijke rol.
−    De tweede 21 jaar staan meer in het teken van groei en ontwikkeling van de menselijke ziel, waarbij ook de ziel in drie geledingen beschreven kan worden, n.l. gewaarwordingsziel, verstands-/gemoedsziel en bewustzijnsziel.  Bij de ontwikkeling hiervan speelt de zelf-opvoeding een belangrijke rol.
−    De derde 21 jaar staan meer in het teken van ontwikkeling en ontplooiing van de menselijke geest, waarbij ook de persoonlijke ontplooiing van wezenlijk belang is.
−    De vierde 21 jaar tenslotte staan meer in het teken van de reflectie van het leven, waarin gezocht kan worden naar de essenties van het leven.
Een normale biografie van een mens beslaat dus ongeveer 84 jaar. Eerder sterven betekent vroeg sterven. Later sterven betekent oud worden.

We kunnen deze 84 jaar ook op de volgende wijze beschrijven:
−    De eerste 21 jaar neemt de menselijke geest bezit van het overgeërfde menselijke lichaam, dat bestaat uit fysieklichaam, etherlichaam en astraallichaam.
−    De tweede 21 jaar vormt de menselijke geest de menselijke ziel in de vorm van de gewaarwordingsziel, de verstands-/gemoedsziel en de bewustzijnsziel.
−    In de derde 21 jaar ontplooit de menselijke geest zichzelf als geestzelf, levensgeest en geestmens.
−    In de vierde 21 jaar maakt de menselijke geest zich los van aarde, lichaam  en ziel door zich de essentiële zaken  voor de geest te halen en de rest los te laten en over te dragen aan de wereld die achterblijft.

Wanneer we nog preciezer formuleren ontstaat het onderstaande schema:

Biografische levensfasen

Periode    ontwikkeling van    belangrijke opgave    resultaat

0- 7 jaar    fysieke lichaam    richten op de natuur    gezonde organen
7-14 jaar    ether lichaam    richten op opvoeder    bewegingsmogelijkheden
14-21 jaar    astraal lichaam    richten op cultuur    mogelijkheden tot oordelen

21-28 jaar    gewaarwordingsziel    richten op omstandigheden    gevoeligheid voor eigenschappen van dergelijke omstandigheden

28-35 jaar    verstands-/gemoedsziel    richten op de medemens     ontdekken van eigen capaciteiten en eigen visioen

35-42 jaar    bewustzijnsziel    richten op eigen inzichten en idealen   ontdekken van eigen levensopgave

42-49 jaar    geestzelf    ondernemerschap en ontwikkelen van rolbesef   ontdekken van een manier waarop gezond in de wereld gewerkt kan worden

49-56 jaar    levensgeest    organisatie van  een gemeenschap  ontdekken van een manier om gezond samen te kunnen werken

56-63 jaar    geestmens    overdracht van levenservaringen     culturele inbedding van eigen wijsheid

63-70 jaar    groepsgeest    politieke taak    maatschappelijke     inbedding van eigen wijsheid

70-77 jaar    tijdsgeest    adviserende taak    ontwikkelen van een maatschappelijk imago

77-84 jaar    wereldmachten    uitstralende taak    zichtbaar worden als historische figuur

Wanneer we terugkijken op het leven, in het licht van de hierboven aangegeven kwaliteiten, kunnen zich verschillende conclusies opdringen. De een zal denken dat het wel aardig volgens schema is gegaan, terwijl de ander concludeert dat het in een bepaalde levensfase wel heel anders is gegaan dan hier aangegeven. Gedane zaken nemen geen keer en we zijn dus genoodzaakt om het leven te accepteren zoals het geweest is.

Tegelijkertijd kunnen we ons afvragen waardoor ons eigen leven zo moeilijk is geweest en wat we daarvan geleerd hebben. Met deze kennis gewapend kunnen we onderzoeken of wij mogelijkheden hebben om anderen bij hun levensweg een beetje te ontlasten. Dan kunnen we kansen opzoeken in de maatschappij die het mogelijk maken dat we onze ondersteuning kunnen realiseren. Met verhalen of goede raad, wanneer mensen daarnaar willen luisteren. Met verzorging of ondersteuning, wanneer we daartoe in staat zijn en in de gelegenheid worden gesteld. Met koopgeld, leengeld en schenkgeld, wanneer we daarvoor de mogelijkheden hebben.
In de laatste levensfasen gaat het minder om de problemen die op onze weg komen. Die zullen er ook wel zijn, maar aan het oplossen daarvan ontlenen we minder de zin van het leven. Het gaat juist om het opzoeken van kansen. Het opzoeken van kansen om anderen te helpen met hetgeen we zelf aan vermogens hebben verworven in het leven.
−    Inzichten en ideeën en autoriteit in het culturele leven.
−    Relaties, rechten, plichten en zeggenschap in het rechtsleven
−    Geld, eigendom en positie in het economisch leven.
Gedurende de laatste levensfasen zullen we dan ervaren dat we onze grip op de dagelijkse realiteit steeds verder zien afnemen. Eerst verliezen we de grip op het economisch leven, vervolgens op het rechtsleven en tenslotte ook op het culturele leven.  Dan zal het afscheid van het leven niet zo zwaar meer vallen, omdat het leven naar eer en geweten vervuld is. We kunnen dan rustig het leven na de dood tegemoet zien.

Jan J.C. Saal
december 2006

Literatuur:
Het zesvoudige pad door Joop van Dam
Praktische oefeningen voor een innerlijke ontwikkeling door Roel den Dulk
Sociale gezondheidszorg in levenloop en Gemeenschapsvorming door Jan Saal
Innerlijke ontwikkeling door antroposofie, door Rudolf Steiner